Per 1 januari 2006 gaat de beoogde (VUT-)eindheffing van artikel 32aa van de Wet Loonbelasting, ook gelden voor een eenmalige ontslaguitkering die ten doel heeft de werknemer vervroegd te laten uittreden.

Deze eindheffing komt echter pas in beeld als de ontslaguitkering ten doel heeft te voorzien in een overbrugging naar de ingangsdatum van de pensioen- of AOW-uitkeringen dan wel in een aanvulling op pensioenuitkeringen. In verreweg de meeste ontslagsituaties is daarvan geen sprake.

Op 8 december 2005 heeft staatssecretaris Wijn van Financiën de aanvullende criteria bekendgemaakt om te kunnen toetsen of een ontslagregeling wel of niet zal worden aangemerkt als een regeling voor vervroegde uitkering (RVU): de zogenaamde kwalitatieve criteria.
Als er sprake is van een verkapte VUT-regeling, kan de werkgever een naheffing verwachten van 26%.

Kwalitatieve criteria: de redenen voor ontslag

Er is sprake van vervroegde uittreding indien een ontslaguitkering wordt gegeven met het oog op de mogelijkheid om eerder te stoppen met werken. Een andere reden om een werknemer te ontslaan is bijvoorbeeld een reorganisatie of een individueel ontslag dat eveneens niet leeftijdgerelateerd is. Als het ontslag niet is gericht op het ontslaan van oudere werknemers is nooit sprake van VUT eindheffing, noch op het moment van toekenning, noch op een ander moment:

  • Bij ontslag / collectief ontslag wegens reorganisatie.
    De reorganisatie vindt plaats met het oog op de vermindering van het personeelsbestand op basis van objectieve criteria (zoals het lifo-systeem of het afspiegelingsbeginsel) waarbij niet de intentie bestaat ouderen met het oog op vervroegd uittreden te ontslaan.
  • Een individueel ontslag wegens disfunctioneren of andere niet-leeftijdgerelateerde ontslaggronden, zoals onenigheid over het te voeren beleid of onverenigbaarheid van karakters.
    Blijkt een werkgever hierbij voornamelijk oudere werknemers te ontslaan, dan zal de inspecteur kunnen stellen dat feitelijk sprake is van een vermomde regeling voor vervroegd uittreden.

Kwantitatieve criteria: de hoogte van de ontslaguitkering

Aan de hand van de hoogte van de ontslaguitkering wordt getoetst of de regeling in ieder geval niet ten doel heeft om werknemers vervroegd te laten uittreden.

Bewijslast

In de meeste reguliere ontslagsituaties zal er geen sprake zijn van een regeling voor vervroegde uittreding. Artikel 32aa van de Wet LB is dan niet van toepassing.

Als geen van beide criteria tot de conclusie leidt dat geen sprake is van een regeling voor vervroegde uittreding, dan zal in eerste instantie de inhoudingsplichtige moeten beoordelen of de (VUT-)eindheffing van artikel 32aa van toepassing is.
Om zekerheid te krijgen of eindheffing moet worden afgedragen, kan de inhoudingsplichtige de situatie voorleggen aan de bevoegde inspecteur.
Bij verschil van inzicht met de inhoudingsplichtige zal de inspecteur op grond van de feiten en omstandigheden aannemelijk moeten maken dat sprake is van een regeling voor vervroegde uittreding. De bewijslast ligt in dat geval dus bij de inspecteur.

Indien sprake is van een regeling voor vervroegde uittreding vindt de eindheffing plaats bij de inhoudingsplichtige en niet bij de werknemer die de uitkering ontvangt. De inhoudingsplichtige heeft hiervoor geen verhaalsrecht op de betrokken werknemer.